Utrecht - Springweg 110 0000.0011

 

Literatuur

 

- Dolfin, Marceline J. & E.M. Kylstra & Jean Penders, Utrecht, De huizen binnen de Singels. Deel A: Beschrijving. Deel in de serie 'De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst' hierin: 'De provincie Utrecht', De gemeente Utrecht', deel IIIA. 's-Gravenhage (SDU), 1989. [524 blz. ISBN 90.12.05874.0 / 90.12.05876.7(set)]. Hierin: blz. 148,
en in het hoofdstuk over het huistype 'Het dwarse huis', beschrijving van "Springweg 110-130 (even)": blz. 189-191

- Dolfin, Marceline J. & E.M. Kylstra & Jean Penders, Utrecht, De huizen binnen de Singels. Deel B: Overzicht. Deel in de serie 'De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst' hierin: 'De provincie Utrecht', De gemeente Utrecht', deel IIIB. 's-Gravenhage (SDU), 1989. [216 blz. ISBN 90.12.05875.9 / 90.12.05876.7(set)]. Hierin "Springweg 110-130 even, 'Mieropskameren'": blz. 156

- Klück, B.J.M., "Springweg 110-130 (Myropskameren) en Springweg 100". In: Archeologische en bouwhis­torische kroniek van de Gemeente Utrecht 1978-1980, blz. 65-74. Hierin o.a. blz. 67 ("Een grondboog van de veertiende eeuwse voorgevel in Springweg 110 komt net in het zicht, gezien naar het zuidwesten. In het haaks erop staande profiel is een specieband te herkennen die op de uitspringende boog uitkomt. De muur boven de boog is gewit"), 71 ("Springweg 110 gezien naar het noordoosten. Funderingen van de traptoren (rechtsboven) en van de oven (voorgrond). In de hoek linksachter ligt nog een stukje buitenbestrating. Daar is ook de verzakking van de achtergevel goed te zien"), 72 ("projectie van de eerste treden van de traptoren aan de hand van de teruggevonden stootborden, gezien naar het zuidoosten. De donkere baan tussen de twee latten is een sleuf van de eerste trede. Links is de drempel van de doorgang zichtbaar, rechts nog net de fundering van de westwand"), 74 ("twee vroeg 18e eeuwse haardpotten en een latere asput, gezien naar het zuiden. In de muur erboven is nog de bodemlaag van een oorspronkelijke ovenopening te herkennen")

- Sipman, H & B.Klück, "De oudste korstmossen van Nederland". In: De Levende Natuur, 1982 (jaargang 84), nr 5-6, blz. 183-187 (Bart Klück deed in maart 1981 bouwhistorisch onderzoek in Springweg 110. Na het ontpleisteren van een muur ontdekte hij korstmossen. Hij onderzocht deze, samen met H. Sipman. "De korstmos-restanten bevonden zich op de oostzijde van een muur, die oorspronkelijk een ongeveer vijf en een halve meter hoge afscheiding vormde langs de westzijde van het terrein van het voormalige Regulierenklooster tussen Oude Gracht, Zwaansteeg, Springweg en Brandstraat (fig. 1). Uit een combinatie van gegevens kan afgeleid worden dat de muur in de tweede helft van de veertiende eeuw gebouwd moet zijn. Ter plaatse van Springweg 112 sloot de muur aan op een groot gebouw. Naar het noorden toe is het verloop van de eens met steunberen versterkte en ongepleisterde muur niet meer vast te stellen. Bij een grote verbouwing rond 1500 werd ter plaatse van Springweg 110 een huis gebouwd, waarbij de erfscheidingsmuur als voorgevel gebruikt en gepleisterd werd. Vóór die tijd moeten de korstmossen zich dus ontwikkeld hebben. Een latere datering is uitgesloten door het ontbreken van korstmossen op de 'littekens' van de rond 1500 afgehakte steunberen en op de toen gemaakte ophoging en zijmuren (Klück, 1981) (fig. 2)."
"Het voorkomen van de korstmossen op de muur is een absoluut bewijs dat ten tijde van hun groei deze zijde van de muur aan daglicht en regen blootgestaan heeft. [...] Gezien de leeftijd van de muur gaat het hier om de oudste korstmossen van Nederland."
(blz. 185-186) De foto van de ontpleisterde muur toont de binnenzijde van de voorgevel op de verdieping. Onder de huidige moerbalk, loodrecht op de voorgevel, is (gemarkeerd met een '2') een rond 1500 dichtgezette sleuf te zien: daar stond een steunbeer van de oudere erfscheidingsmuur.)